Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


walschap_gerard_-_biografie

Walschap, Gerard

Biografie


Jacob Lodewijk Gerard baron Walschap (Londerzeel, 9 juli 1898 - Antwerpen, 25 oktober 1989), zoon van een kleine kruidenier, was een Vlaams schrijver, vooral van romans. Hij studeerde goed en wilde missionaris worden, en grootse dingen doen, volkeren bekeren, zoals hij later zelf zei.

Walschap begon in Leuven aan de studie voor priester, maar vlak voor hij de eerste wijdingen moest ontvangen, stopte hij ermee. Hij besefte dat priesterschap en celibaat niet aan hem waren besteed. Hij ging werken op de redactie van het katholieke Vlaamse weekblad Het Vlaamsche Land en later voor Hooger Leven. Hij begon de Deense, Noorse en Russische grote auteurs te lezen en stilaan kwam hij tot nieuwe inzichten over schrijven, inzichten die hij een leven lang zal toepassen en waarvoor hij door de katholieke Kerk zou worden aangevallen, besmeurd, gecensureerd en gebroodroofd. Hij wilde in eerste instantie een epische romankunst: (..) Een roman is een verhaal, dat wil zeggen een opeenvolging van gebeurtenissen, waarin een zin ligt en waarin een knoop wordt gelegd, die op het einde wordt ontward. Het is niet gevuld met natuurbeschrijvingen en gekunstelde franjes, bladzijden lang (..). Hij wilde weg van de anekdotische, brave, folkloristische vertellingen van zijn vrienden Felix Timmermans, Ernest Claes, Stijn Streuvels, e.a.

Debuut
Als schrijver debuteerde hij met romantische verzen en enkele katholiek getinte toneelstukken. In 1925 trouwde hij met Marie-Antoinette “Ninette” Theunissen, met wie hij vier zonen en een dochter kreeg — en tijdens een vakantie in Wenduine in de zomer van 1928 begon hij met het schrijven van wat een novelle volgens de nieuwe inzichten moest worden. Maar, vertelde hij daarover zelf, ik kon niet meer stoppen, ik schreef en schreef maar. En toen het af was, had ik Adelaïde geschreven.

Toch verscheen Waldo als zijn eerste roman in 1928. Walschap was er allesbehalve tevreden over. Ik schreef hem in afleveringen, uit kopij-nood, zei hij, en ik publiceerde hem uit geldnood. Wanneer Adelaïde in 1929 verschijnt, verwacht Walschap alle lof van de — hoofdzakelijk katholieke — Vlaamse pers. Veiligheidshalve had hij het manuscript vooraf aan een bevriend priester te lezen gegeven, die hem had gerustgesteld. Tot zijn grote verbazing kreeg hij het gehele katholieke Vlaanderen over zich heen, hij werd gebrandmerkt als afvallige, uitgescholden voor pornograaf, gechanteerd met censuur — het Algemeen Secretariaat van de Katholieke Boekhandel (ASKB) controleerde meer dan 80% der bibliotheken — en meedogenloos gebroodroofd. Zijn boeken kwamen op de beruchte index. De botsing met de bekrompen hypocriete katholieke moraal was het begin van een strijd die lang zou duren, maar in Walschaps voordeel zou worden beslecht: hij gaf Vlaanderen een (…) inhoudelijk nieuwe roman, in een frisse, zakelijke stijl, authentiek en sociaal bewogen, met mensen van vlees en bloed en emoties, in de realiteit van hun dagelijks bestaan, los van het keurslijf van een verdrukkend geloof en een onmenselijke kerk (..).

In oktober 1940 wordt hij benoemd tot Inspecteur van de Openbare Bibliotheken.

In 1943 legt hij de nieuwe normen voor de romankunst vast in het essay Voorpostgevechten. Over zijn strijd tegen het onrecht hem aangedaan door de kerk schreef hij ongemeen boeiend in Vaarwel dan (1940) en ook later nog in Salut en merci (1955).

Houtekiet
Zijn beste en bekendste werk is wellicht de roman Houtekiet, uit 1939, de roman van de nieuwe mens in een vrije maatschappij. Walschap zegt hierover:

Houtekiet is de nieuwe mens, de man die verstandig en bekwaam leeft, seksueel en creatief, rechtvaardig en volkomen los van zijn voormalig geloof, ethisch en sociaal geëngageerd. Houtekiet, dat ben ik zelf (..).“

In 1961 komt hierop een vervolg met Nieuw Deps.

Naast romans schreef hij ook essays, toneel- en poppenspelteksten en kinderboeken.

Prijzen
Toen hij stierf was Walschap de meest gelauwerde auteur in Vlaanderen: tweemaal de driejaarlijkse staatsprijs voor de roman, namelijk voor Trouwen en Zuster Virgilia, de driejaarlijkse prijs voor de koloniale roman voor Oproer in Congo (1953), de vijfjaarlijkse prijs ter bekroning van een ganse carrière, na zijn oppensioenstelling in 1965 en ten slotte uit de handen van de Nederlandse koningin de Prijs der Nederlandse Letteren in 1968. Midden de jaren '70 werd hij baron. Kort voor zijn dood zei hij:

(..)Ik leef nu in de zoete overtuiging dat ik mijn van jongsaf aangebonden strijd over geheel de lijn gewonnen heb. De vuile hetze die tegen mij eerst werd gevoerd, zwijgt beschaamd; de morele vrijheid die ik voor de Vlaamse schrijvers heb opgeëist, wordt zelfs door katholieke schrijvers als vanzelfsprekend gebruikt, de grapjasserij en de literatureluurderij zijn verzwonden, onze letterkunde bloeit tot in de jongste generatie. Het is schoon daartoe te hebben bijgedragen. Ik ben trots op mijn werk, want ik heb mijn ambitie verwezenlijkt. Ik heb grootse dingen gedaan en volkeren bekeerd, zij het niet diegene, die ik als kind voor ogen had, maar ik heb mijn voorgenomen martelaarschap en heldhaftigheid waargemaakt: ik heb alles gezegd wat ik te zeggen had, op een mooie manier, en daarvoor op mijn kop gekregen, vijftig jaar lang (..).[bron?]

Na de dood van de schrijver in 1989, stelde Hendrik Seghers - die ook te Londerzeel woonde en die eerder voor de rehabilitatie van de schrijver had geijverd - samen met de gemeente Londerzeel de Seghers-Literatuurprijs Gerard Walschap-Londerzeel in te zijner nagedachtenis.

walschap_gerard_-_biografie.txt · Laatst gewijzigd: 2012/12/21 18:10 door prediker



Er zijn 22 bezoekers online